Aandachtsgebied “Schermer"

Previous


Afgrenzing

Het aandachtsgebied ligt binnen de ringvaart van de Schermer; in het zuiden en westen is dat het Noordhollandsch Kanaal.

Agrarische ontginningsgeschiedenis

De Agrarische ontginningsgeschiedenis van de Schermer hangt volledig samen met de drooglegging en de waterstaatskundige indeling van de polder. Tot het bedijken en droogmalen van het Schermermeer (de laatste 'grote' droogmakerij van de 17e eeuw) werd in 1631 door de Staten van Holland en West-Friesland aan de stad Alkmaar en enkele rijke burgers het octrooi verleend. Het 4 meter diepe meer werd tussen 1631 en 1635 door ongeveer 54 windmolens drooggemalen. In het algemeen kan worden vastgesteld dat noordelijk Noord-Holland in de 17e eeuw op het punt van droogmaking te beschouwen is als een centrum van vernieuwing. Niet alleen vonden hier de eerste droogleggingen plaats, ze waren hier ook het grootst. Bovendien fungeerden ze als voorbeeld voor droogmakerijen elders. Van de tussen 1500 en 1800 drooggemaakte meren in Nederland, lagen er 69 in Noord-Holland, en deze namen 93% van het totale oppervlak voor hun rekening. De Schermer kende een molenbemaling met vier trappen, dat wil zeggen dat molens het water in vier 'trappen' op de boezem brachten. Naast de Schermer was alleen de Wijde Wormer (en tijdelijk de Beemster) nog uitgerust met een vier-traps molenbemaling.

Voordat men kon beginnen met het droogmalen van het meer, moest er eerst een boezem worden aangelegd. Deze buitenboezem, de huidige ringvaart, kwam in 1634 gereed. Voor een deel maakte men bij de aanleg van de ringvaart gebruik van bestaande wateren. De dijk van de Schermer in het noorden is hier de oude Huygendijk, want voor de Heerhugowaard was ten noorden daarvan een nieuwe ringdijk gemaakt, die tegenwoordig Huigendijk heet. De 'oude' (Heer) Huygendijk, aangelegd in de 13e eeuw op last van baljuw Hugo van Assendelft, heeft een zeer belangrijke rol gespeeld in de strijd tegen het water. Tussen de voormalige meren de Schermer en de Waard was dit het enige overgebleven stukje land. Indien de dijk gedurende de laat-middeleeuwse stormen was bezweken, dan was er hoogstwaarschijnlijk een waddengebied ontstaan zoals achter de eilanden in het noorden. Later is de oude Huygendijk opgenomen in de ringdijk van de Schermer en is ten noorden ervan een nieuwe dijk aangelegd, de huidige Huigendijk. Deze speelt een rol in de waterhuishouding van de droogmakerij die vernoemd werd naar de dijk, de Heerhugowaard.

De drooglegging en daarna de bemaling van de Schermer werd grotendeels volgens plan gerealiseerd. De hoofdstructuur bestaat uit drie haaks op elkaar staande vaarten: de Alcmaer Vaert (Noordervaart), de Middel Vaert (Zuidervaart) en de Laenvaert (Laanvaart). Deze vaarten vormden een binnenboezem waarop het overtollige water van de afzonderlijke bemalingseenheden (de polders A t/m O), die elk van een poldermolen waren voorzien, werd uitgeslagen. De molens moesten op 80 Zijpse roeden ofwel ongeveer 250 meter van de openbare weg worden gebouwd. Dit werd gedaan om ze buiten de invloedssfeer van bebouwing en beplanting te houden en om ongestoord verkeer met gebruikmaking van paarden mogelijk te maken. Bij de indijking werd ook enige bestaande stukken land en eilandjes meegenomen. Deze boden uiteindelijk plaats aan de poldermolens.

De binnenboezem zou op zijn beurt weer door twee groepen molens, één bij Ursem en één bij Driehuizen, op de Schermerboezem worden afgemalen. Hier stond een groep van vijf ondermolens, vijf middenmolens en zes bovenmolens respectievelijk de 'Noordkust' en de 'Zuidkust' genoemd. De zesde bovenmolen van elke groep hield verband met de grotere opvoerhoogte die de bovenmolens moesten overbruggen bij een hoge stand van de Schermerboezem. Ook was er nog een driehoog malende groep van zes molens aan het eind van de Noordervaart bij Schermerhorn. Het aan de Laanvaart grenzende, indertijd mee ingepolderde eilandje De Matten, beschikte over een eigen molen.

Naast deze drie molengangen die het polderwater uiteindelijk in de boezem moesten brengen, bestonden er nog twee molengangen: één bij Rustenburg en één bij de Laanvaart. Deze zijn echter reeds vóór 1900 verdwenen. Of de molengang bij Rustenburg ooit heeft gefunctioneerd is onzeker. Zij komt voor op de kaart van Dou uit 1680 en de kolken staan ook nog op de kaart van Klijn uit 1825. In 1856 is op de kaart echter niets meer van deze molengang terug te vinden. Bij Oudorp en bij het punt waar de Zuidervaart de zuidelijke ringdijk raakt zijn geplande molengangen nooit gerealiseerd.

Tegen het eind van de vorig eeuw werd bekeken in hoeverre de bemaling nog kon worden verbeterd door de schepraderen te vervangen door vijzels. De vervijzeling bleek succesvol, want in 1863 waren er reeds 21 molens vervijzeld. Door veranderde inzichten met betrekking tot het onderhoud van de molens besloot men in 1924 om de gehele polder elektrisch te gaan bemalen. De afdelingen M, N en O werden samengevoegd tot de nieuwe afdeling II en voor de bemaling werd in 1926 aan de ringdijk tussen de Schermerhorn en Groot-Schermer het gemaal Emma gebouwd. De 3 molens in dat gebied kwamen daardoor buiten bedrijf. In evenredigheid hiermee werd in ieder geval tevens de tweehoog malende gang molens aan de Noordervaart buiten bedrijf gesteld.

De nieuwe situatie beviel zo goed dat besloten werd ook het resterende deel van de windbemaling te vervangen en zo ontstond de huidige bemalingssituatie. Naast het gemaal Emma werden er in 1928/29 twee nieuwe gemalen gebouwd: bij de voormalige 'noordkust' het gemaal Wilhelmina en bij de voormalige 'zuidkust' het gemaal Juliana. De tocht tussen de Zuidervaart en de molens van de 'zuidkust' werd nu de aanvoertocht naar het gemaal.

Het laagst gelegen deel van de Schermer, de afdeling Beneden G-H kreeg een eigen bemaling in de vorm van een elektrisch gemaaltje (op de plaats van voormalige poldermolen). Uiteindelijk wordt ook dit water via het gemaal Wilhelmina uitgeslagen op de Schermerboezem. Met het in gebruik nemen van de gemalen Juliana en Wilhelmina werd de windbemaling buiten werking gesteld. Recentelijk is een derde bemalingssysteem in gebruik genomen: de gemalen Wilhelmina, Emma en Gemaal IV zijn hierdoor overbodig geworden. Hun functie is overgenomen door het nieuwe gemaal Schermer-Noord en het gerenoveerde gemaal Juliana.

In de loop der jaren zijn veel molens door afbraak of brand verdwenen. Vooral tijdens de dertiger jaren van de twintigste eeuw werden veel molens afgebroken. Op het ogenblijk zijn er nog 11 poldermolens over. Bij Schermerhorn is nog een molengang te bewonderen; bij Driehuizen en Ursem is in het veld nog goed waar te nemen waar de molens hebben gestaan. Binnen de Schermerringvaart bevinden zich nóg een viertal molens. Bij Oterleek ligt een korenmolen (in de plaats gekomen van een poldermolen) en iets ten oosten van Oterleek liggen drie strijkmolens behorende bij de Geestmerambachtsboezem. Deze laatste drie molens zijn door een verlegging van de boezem binnen de ringvaart van de Schermer komen te liggen, hoewel ze daar oorspronkelijk dus geen deel van uitmaken.

De droogmakerij de Schermer kent een tweetal nederzettingen die zijn gesticht na de drooglegging tussen 1631 en 1635. Dit zijn Stompetoren (vroeger Noordschermer geheten) en Zuidschermer. Hoewel er rond de kerken enige komvorming is opgetreden, strekt de meeste bewoning zich uit langs de Noordervaart, de Zuidervaart en de Molenweg. Tevens vinden we boerderijen langs de ringdijk van de polder. Enkele van deze ongeveer 260 boerderijen hebben een bepaalde periode gefunctioneerd als buitenplaats.

Het rechthoekige verkavelingspatroon van de Schermer werd geheel volgens het oorspronkelijke plan gerealiseerd . In het noorden zijn de kavels overwegend nno-zzw georiënteerd, in het zuiden is de richting overwegend ozo-wnw. De 406 kavels varieerden zodanig in lengte en breedte dat het oppervlak per kavel zoveel mogelijk constant bleef, namelijk 15 (Schermer)morgens, dat is 10,5 hectare. Veel voorkomende maten voor kavellengte en -breedte waren respectievelijk 850 en 120 meter. Een afwijkend verkavelingspatroon heeft het voormalige eilandje De Matten. In dit veengebiedje vertoont de verkaveling een onregelmatig, blokvormig patroon. Ook afwijkend zijn de mee ingepolderde stukjes land die dienden om er molens op te plaatsen. Deze liggen nog altijd hoger dan de eigenlijke droogmakerij. Bij de Omval ligt een boerderij op een dergelijk stuk land. Hier was tevens een molengang gepland, maar die is er nooit gekomen. Met uitzondering van het stuk onder de boerderij is het land afgegraven ten behoeve van de ophoging van de dijk.

Opvallend is de sterke en niet toevallige oriëntatie van zowel hoofdwater- als hoofdlandweg op Alkmaar. Het plan van de plattegrond werd zo getekend dat al het toekomstige verkeer en het transport van goederen van en naar de polder de stad moest passeren. Centraal in het patroon ligt de as van de Noordervaart en de Zuidervaart. Aan beide zijden van deze vaarten loopt een weg, waarvan de weg langs de Noordervaart een regionale functie vervulde.

De ringvaart van de Schermer had een dubbele functie: afwatering en scheepvaart. Zo maakte de zuidelijke en westelijke ringvaart van de Schermer deel uit van het Noordhollandsch kanaal (1824). Dit 80 kilometer lange kanaal maakte op meer plaatsen gebruik van bestaande wateren. De noordelijke ringvaart was een onderdeel van de 17e eeuwse trekvaart tussen Alkmaar en Hoorn, die op zijn beurt deel uitmaakte van een uitgebreid trekvaartenstelsel waar steden als Haarlem en Edam ook deel van uitmaakten. Het Noordhollandsch kanaal (Amsterdam - Den Helder) en de trekvaart hadden een bovenregionale functie.


Literatuur

  • Barends, S. e.a. (red.) (1991) (4e druk), Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering. Utrecht.
  • Belonje, J., (1933), De Schermer 1633-1933. Wormerveer.
  • Colenbrander e.a. (red.) (1981), Molens in Noord-Holland. Inventarisatie van het Noordhollands molenbezit. Amsterdam.
  • Danner, H., (1983), Van Schermeerwater tot Schermeerland. Perikelen bij een 17e eeuwse bedijking. Provincie Noord-Holland.
  • Schilstra, J.J. (1993), Schermerland. Mensen en molens. (vernieuwde druk).
  • Schilstra, J.J. (1981), De Heerhugowaard. De geschiedenis van de Huygenwaert.
  • Schilstra, J.J. (1982), In de ban van de dijk. De Westfriese Omringdijk.
  • Stol, T. (1993), Wassend water, dalend land. Geschiedenis van Nederland en het water. Utrecht/Antwerpen.
  • Thurkow, A.J. (1985), Droogmakerijen in de 16e en 17e eeuw. In: M.W. Heslinga, A.P. de Klerk, H. Schmal, T. Stol en A.J. Thurkow , Nederland in kaarten. Verandering van stad en land in vier eeuwen cartografie. Ede/Antwerpen.
  • Ven, G.P van de (red.) (1993), Leefbaar Laagland. Geschiedenis van de waterbeheersing en landaanwinning in Nederland. Utrecht.



Bron: 

Bron RDCultuur





🇳🇱   © JOIR-2006-2023  |  Privacy   |   Disclaimer   Contact  | Site Map   |  🇳🇱  |